De reddingsboei die Feyenoord bijna kopje-onder trok

De reddingsboei die Feyenoord bijna kopje-onder trok

Bron: FR-Fans.nl
Foto: PRO SHOTS / Dennis Wielders
Auteur: Ray

Feyenoord sloot 2024/25 af met ongeveer €37 miljoen eigen vermogen. Vijftien jaar eerder stond er €34,8 miljoen negatief op de balans. Achter die ommekeer schuilt een geschiedenis van financiële overmacht, afhankelijkheid van geldschieters en herhaalde reddingsoperaties. In aanloop naar de nieuwe jaarrekening 2025/2026 van de Stadionclub kijken we terug op de weg naar de huidige financiële positie aan de hand van het eigen vermogen die vaak rood kleurde door (financieel) wanbeleid.

De verloren voorsprong

In de jaren zestig was Feyenoord financieel een grootmacht binnen Nederland. De hoge bezoekersaantallen leverden aanzienlijke recettes op en gaven de club de middelen om belangrijke spelers bij concurrenten weg te halen. De eerste Nederlandse club die de hoogste Europese prijs binnensleepte zorgde ervoor dat Feyenoord in die periode verreweg de rijkste club van de Eredivisie was en misschien zelfs van de wereld. De Kuip was een belangrijke bron van inkomsten in een tijd waarin televisie en commerciële contracten een veel kleinere rol speelden.

Die voorsprong verdween. In de jaren tachtig kwamen soms nog slechts enkele duizenden bezoekers naar het stadion en ontbrak het geld om de selectie wezenlijk te versterken. De sportieve terugval ging samen met afnemende inkomsten. Feyenoord bleef de ambities van een topclub koesteren, terwijl de financiële basis steeds smaller werd. Het had ook alles te maken met de financiële crisis van die tijd en de opkomst van het hooliganisme waardoor stadions niet altijd even veilig waren.

Deze periode stond ook aan de basis van een groter probleem. De bestuurlijke onmogelijkheden binnen de club. De splitsing tussen betaald voetbal en amateurs was al in 1978 doorgevoerd. Uiteraard met een goede gedachte, zodat de club Feyenoord op die manier altijd zou blijven bestaan ook bij een faillissement van de BVO. De Sportclub behield het historische aandelenbelang in het stadion, terwijl de profclub zelfstandig als Stichting verderging. Daarmee raakten de organisatie die op het veld geld moest verdienen en het stadion waarin dat gebeurde bestuurlijk van elkaar gescheiden.

Leven op de garanties van HCS

Aan het einde van de jaren tachtig werd HCS de financiële steunpilaar. Feyenoord rekende erop en werd toegezegd dat het automatiseringsbedrijf de exploitatietekorten zou aanvullen. In juli 1991 ontving de club nog een lening van twaalf miljoen gulden, met de spelers als onderpand. Een tekort op de begroting werd zo steeds meer een probleem waarvoor een externe financier de oplossing moest leveren.

Die financier/hoofdsponsor eiste ook invloed binnen de club. HCS-groepsdirecteur Jan van der Weijden trad in maart 1991 toe tot het stichtingsbestuur om de financiële belangen van het bedrijf te bewaken. Sponsoring, kredietverlening en zeggenschap waren met elkaar verweven geraakt. Feyenoord had zich afhankelijk gemaakt van een onderneming waarvan het zelf de financiële gezondheid niet kon bepalen.

Toen HCS in moeilijkheden kwam, viel die zekerheid weg. Er ontstond een conflict over sponsorbetalingen, garanties en wederzijdse vorderingen. De sponsorovereenkomst werd per november 1991 ontbonden. Feyenoord kon toen al niet meer aan zijn salarisverplichtingen voldoen. Het faillissement van HCS volgde in 1992, maar de financiële nood in Rotterdam was eerder zichtbaar. De onrust sijpelde logischerwijs door naar beneden in de club.

Wim Jansen was ondertussen in 1990 bij die noodlijdende club teruggekeerd. Naar verluidt schoot Jansen spelerssalarissen uit eigen zak voor. Onder hem werd de sportieve basis voor herstel gelegd, terwijl Jorien van den Herik financieel een belangrijke rol speelde. De bekerwinst van 1991 bracht Feyenoord terug naar Europees voetbal. De club moest eerst weer overeind komen voordat zij aan vermogensopbouw kon denken. Dit leidde uiteindelijk tot het kampioenschap in 1999 en de UEFA Cup winst in 2002. De reus leek ontwaakt, het eigen vermogen groeide.

Beschermd, maar versnipperd

In de daaropvolgende jaren kreeg Feyenoord een steeds uitgebreidere bestuurlijke structuur. Na het advies van de commissie-Kerkum in 2006 kreeg de Stichting Continuïteit Feyenoord, STICO, een centrale positie boven de profclub. De stichting bewaakt het culturele erfgoed en bezit bijzondere zeggenschap, onder meer over clubkleuren, naam en speellocatie. De Sportclub en het stadion bleven afzonderlijke organisaties met eigen belangen.

Voor gezamenlijke financiële besluiten en stadionplannen moesten daardoor verschillende besturen en aandeelhouders op één lijn komen. De opeenstapeling van organisaties, toezichthouders en inspraak maakte Feyenoord tot een log bestuurlijk geheel. Dat is de keerzijde van de gekozen bescherming: wie wilde investeren in de toekomst van de club, moest ook overeenstemming bereiken over wie daarover mocht beslissen.

Ondertussen bleef de financiering kwetsbaar. Vanaf 2006/07 werden talentpools gebruikt om geld aan te trekken. Investeerders betaalden voor een aandeel in toekomstige transferopbrengsten. Dat leverde direct middelen op, terwijl Feyenoord een deel van latere inkomsten afstond. Het was een manier om het heden te financieren met opbrengsten die nog verdiend moesten worden.

Opnieuw naar de afgrond

In 2009/10 leed Feyenoord €14,5 miljoen verlies en zakte het eigen vermogen naar €34,8 miljoen negatief. De club had daarmee volgens de balans aanzienlijk meer verplichtingen dan bezittingen. Salarissen konden nog maar nauwelijks worden betaald en het voortbestaan stond opnieuw onder druk. De redding van begin jaren negentig had geen blijvende financiële zekerheid opgeleverd, maar was zodanig afgebroken dat de rand van de afgrond wederom bereikt werd. Door de investering in gearriveerde spelers zonder restwaarde en de gelimiteerde toekomstige inkomsten op talenten vanwege de talentpools was de situatie zo mogelijk nog nijpender dan eerst. 

De Vrienden van Feyenoord brachten risicodragend kapitaal in. Volgens de club ging het uiteindelijk om €32,6 miljoen, waarvoor zij 49 procent van de aandelen kregen. Het geld werd onder meer gebruikt om lopende verplichtingen te voldoen en schulden af te lossen. De Vrienden kregen ook voordrachtsrechten binnen de Raad van Commissarissen en STICO. De financiële redding bracht daarmee opnieuw zeggenschap voor de geldschieters mee.

Het herstel vergde vervolgens jaren. In 2013/14 werd het eigen vermogen (dit is inclusief de € 32,6 miljoen van de VvF) weer positief. Dat kwam door winst én aanvullende kapitaalinbreng, verminderd met het uitgekeerde dividend. In 2017/18 was de vermogensbuffer mede door het kampioenschap van 2016/2017 en verkoop van talentvolle jeugdspelers gegroeid naar €31,6 miljoen. De ontwikkeling daarna laat zien hoe snel zo’n reserve weer kan verdwijnen.

Boekjaar| Eigen vermogen op 30 juni
2009/10| −€34,8 miljoen
2013/14| €3 miljoen
2017/18| €32 miljoen
2019/20| €19 miljoen
2020/21| €2 miljoen
2021/22| €1 miljoen
2022/23| €6 miljoen
2023/24| €14 miljoen
2024/25| €37 miljoen

Bedragen afgerond, op basis van de jaarverslagen en officiële publicatie van de jaarcijfers van Feyenoord Rotterdam N.V.

De terugval begon al vóór corona en had ook te maken met de hoge afschrijvingen op spelers die na het kampioenschap werden gekocht. Over 2020/21 volgde een forse klap door een verlies van €16,9 miljoen en in 2021/22 nog eens €4,5 miljoen. Ondanks het bereiken van de Conference League-finale resteerde aan het einde van dat laatste seizoen ongeveer €1 miljoen eigen vermogen. Eerder door de club teruggekochte aandelen gingen in 2022 weer naar de Vrienden, omdat de liquiditeitspositie opnieuw problematisch was geworden.

Een nieuwe reserve, nieuwe verplichtingen

Daarna volgde opnieuw herstel. In 2024/25 steeg de omzet naar ongeveer €160 miljoen en werd €23 miljoen nettowinst geboekt. Het bereiken van de achtste finale van de Champions League leverde een belangrijke bijdrage. Ook de commerciële inkomsten groeiden. De verkopen van onder anderen Wieffer, Geertruida en Giménez droegen bij aan een positief spelersresultaat, na verwerking van onder meer de afschrijvingen.

Zo groeide het eigen vermogen naar ongeveer €37 miljoen. Dat bedrag is een financiële buffer, geen vrij besteedbare bankrekening en bestaat dus voor het overgrote deel uit de inleg van de Vrienden van Feyenoord. Geld kan daarnaast nog vastzitten in spelersrechten, gebouwen en nog te ontvangen betalingen. Om de bestedingsruimte te beoordelen, moeten ook de kasstromen, schulden en betalingstermijnen worden bekeken, hier is helaas beperkt inzicht in. Een hoge transfersom vertelt op zichzelf weinig over wat een club uiteindelijk overhoudt.

Intussen is ook de relatie met De Kuip veranderd. Op 14 juli 2026 werd de overname afgerond en kreeg Feyenoord een belang van meer dan 95 procent in het stadion. Voor de komende jaren is €41 miljoen aan extra investeringen in onderhoud en verbeteringen aangekondigd. Club en stadion komen daarmee bestuurlijk dichter bij elkaar, terwijl Feyenoord ook nieuwe financiële verantwoordelijkheden krijgt. Rondom de geplande uitkoop van de Vrienden van Feyenoord is het ook al enige tijd angstvallig stil. 

De jaarrekening van 2025/26 moet laten zien hoeveel vermogen verder is opgebouwd en welke verplichtingen daartegenover staan. De stadionovername vond na de balansdatum van 30 juni plaats en vraagt daarom om een afzonderlijke beoordeling. Na alle eerdere reddingsoperaties is het nog maar de vraag hoeveel ruimte Feyenoord heeft om te investeren én een mogelijke tegenvallers op te vangen.

Lees ook